Geschiedenis Ambulancezorg Woerden-Utrecht 1960-1971 |
|---|
Vanaf 1950 tot 1972 steeg het aantal verkeersdoden in Nederland van 1000 naar 3200 per jaar.
Dit als gevolg van de explosieve toename van het gemotoriseerde (snel-) verkeer.
Vermenigvuldig deze getallen met 25 resp. 12 en men krijgt een indruk van het aantal gewonden en zwaargewonden.
Deze enorme toename van het aantal verkeersslachtoffers vormde in die jaren vooral voor de kleinere en middelgrote ziekenhuizen
in ons land een grote belasting.
Het waren juist de kleinere ziekenhuizen die veelal de zwaarst getroffenen kregen aangeboden van het snelverkeer van
rijks- en provinciale (plattelands-)wegen.
Meer dan de helft van de zeer ernstig gewonden werd namelijk binnen het rayon van juist déze ziekenhuizen
door een ongeval getroffen en naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd.
Een extra belasting betrof het gegeven dat 2/3 deel hiervan in de
avonden,nachten en weekends - dus buiten de normale werktijden- het
ziekenhuis werd binnengebracht.13,33
Sommige ziekenhuizen waren daarom ook na 18.00 uur gewoon gesloten, net als winkels.
Binnen de bebouwde kom (grote steden) werden de snelheden sinds 1957
ingedamd door het instellen van een wettelijke snelheidslimiet van 50
km.
Deze gold echter niet voor de provinciale-, plattelands- en rijkswegen.
Daar waren in de regel geen snelheidsbeperkende maatregelen van kracht.
Hoge snelheden, het ontbreken van ondermeer veiligheidsgordels en
kreukelzones leidden bij ongevallen op deze wegen tot ernstige
meervoudige
letsels en direct levensgevaar bij het verkeersslachtoffer.
Het Algemeen Ziekenhuis 1963,
114 bedden.
Rijksweg 12 en het verkeersplein Oudenrijn hadden een beruchte naam
vanwege de vele ernstige ongevallen die daar plaatsvonden, vooral in de
periode toen er
nog geen vangrail/middenbermbeveiliging bestond.
Waar nu middenbermbeveiliging staat (vangrail) bevond zich destijds een
(liguster-) haag.
Frontale botsingen, welke het gevolg waren van auto's die door de berm
heenschoten, kwamen dan ook frequent voor. Kettingbotsingen en files
kwamen soms wekelijks voor.
De aanleg van de middenbermbeveiliging - waar wij tegenwoordig aan
gewend zijn- startte pas na aandringen in de tweede helft van 1963.29

Rijksweg 12 was goed voor honderden verkeersslachtoffers per jaar, met als gevolg dat wekelijks, soms zelfs dagelijks en veelvuldig buiten kantoortijden in deze twee Woerdense ziekenhuizen (ernstig) gewonde verkeersslachtoffers werden binnen gebracht en behandeld. Gemiddeld waren er altijd wel zo'n veertig verkeersslachtoffers in huis.1,28
De Woerdense ziekenhuizen werden bovendien binnen ca. één jaar betrokken bij twee grote spoorwegongevallen.
In 1959 wees de Woerdense chirurg dr. J.Dijkstra - die zich vanaf 1947 geconfronteerd zag met de enorme toename van het aantal ernstig gewonde verkeersslachtoffers van Rijksweg 12- op het belang van een goede en snelle melding van ongevallen.26

In 1961 uitte Dijkstra in het vakblad Huisarts en Wetenschap
kritiek op de achtergebleven organisatie van de ambulancehulpverlening
in Nederland en deed hij een oproep aan de medische wereld
zich meer in te zetten voor de verbetering van de preklinische hulpverlening.
Hij hekelde hierbij de bestaande situatie waarbij "adequate hulp ter plaatse" achterwege werd gelaten gevolgd door"ijltransport"
naar het ziekenhuis.6
Vrijwel elk ernstig getroffen verkeersslachtoffer werd namelijk zo snel
mogelijk ingeladen en als "ijlgoed" naar het ziekenhuis gebracht.
Daags na de Treinramp te Harmelen, waarbij Dijkstra direct betrokken was bij de opvang en behandeling van gewonden19,35, kreeg zijn oproep aandacht
van de landelijke pers.2,14,31
In 1964 herhaalde Dijkstra -bij uitblijven van voldoende actie van
medische zijde en van regeringswege- zijn kritiek op de achtergebleven
preklinische hulpverlening.
De eerste hulp aan, en het vervoer van ernstig gewonde verkeersslachtoffers kreeg n.l. ook in medische kringen z.i.
nog altijd onvoldoende belangstelling.
De aandacht hiervoor vlak na de treinramp bleek alweer weggëebt.38
In Huisarts en Wetenschap wees hij in een serie baanbrekende publicaties op het grote belang van het bieden van deskundige medische hulp ter plaatse en voortzetting hiervan
gedurende het vervoer aan het verkeersslachtoffer tijdens het z.g. "het eerste uur" (tegenwoordig "golden hour" genoemd) en deed
aanbevelingen t.b.v. de organisatie en de praktische uitvoering van de
preklinische hulpverlening in Nederland.
Daarbij formuleerde hij ook eisen waaraan de moderne en ideale ambulance en zijn bemanning (opleiding) diende te voldoen.9
Zijn grote ervaring in de traumatologie was aanleiding dat Dijkstra in 1963 werd opgenomen in de Commissie zieken- en ongevallenvervoer van Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in Zuid- Holland.21,25
Een jaar later, in 1964, werd hij voorzitter van de door de regering ingestelde subcommissie E.H.B.O./ Kwaliteit Vervoer Verkeersongevalsslachtoffers.5,44
Deze subcommissie maakte onderdeel uit van de interdepartementale Commissie Muntendam, genoemd naar professor dr. P.Muntendam.
De aanbevelingen van deze commissie leidden, na veel oponthoud (zie verder), tot
de eerste wet Ambulancevervoer die in 1971 werd aangenomen.
Foto rechts: demonstratie Volkswagen-ambulance bij de ingang van de Eerste Hulp/ Opname van
het Ope Dei Ziekenhuis te Woerden.
In het midden Dijkstra.
Foto Walter van Leeuwen 1968

Tegenwoordig fungeert deze ingang als dienstingang van het Zuwe Zorgcentrum Woerden.
Het ambulancevervoer in Woerden en omgeving, waaronder Rijksweg 12, vond plaats door de Fa. L.Hoek te Woerden.
De wagen werd bemand door een chauffeur en de heer A. de Lange, een zeer ervaren hulpverlener met E.H.B.O.- diploma.28
Ambulance van de fa.L.Hoek in actie 1964
terug
De G.G. en G.D. van Utrecht 1963
Behalve de fa. Hoek reden op Rijksweg 12 en de provinciale wegen de ambulances van de G.G. en G.D.
van Utrecht.
Directeur A.A.Koopal noemde zijn dienst in 1963 al een
"Regionale Eerste Hulpdienst met als centraalpost de G.G. en G.D".16
1963
De grenzen strekten zich uit tot Woerden, Schoonhoven, Culemborg, Driebergen, Hollandse Rading
en Nieuwersluis. De ontkieming (?) van de huidige RAVU.
terug
Het Rode Kruis en de Dijkstra-ambulances 1966
Dijkstra stelde vast dat de bouw en inrichting van de ambulance optimaal afgestemd diende te zijn op vervoer en behandeling van de in levensgevaar verkerende spoedeisende patiënt.9,11 Een absolute eis was een ruim interieur, met de brancard in het midden en voldoende ruimte rondom de patient en aan het hoofdeinde voor de hulpverlener (minimaal een verpleger met een post-graduate opleiding). Deze progressieve ideeen werden om uiteenlopende redenen destijds niet breed gedeeld.
Een andere belangrijke eis was dat de bijkomende belasting van het
vervoer voor het ernstig gewonde verkeersslachtoffer tot een minimum
diende te worden
beperkt.
Ter verkrijging van een schok- en trillingsvrij vervoer van deze patiënten trad Dijkstra in contact met
professor ir. G.J. van der Burgt van de T.H. te Delft, waarop een samenwerking volgde die leidde tot de ontwikkeling van de z.g.
Zwevende Brancard
ter voorkoming van lichaamstrillingen (whole body vibration).

Wagens die aan de ruimtelijke eisen voldeden waren de Citroën HY verlengd, de Peugeot J7 en de Mercedes 408 en 406.4
Vanwege het grote aantal ongevallen op "zon- en feestdagen" ging het Het Rode Kruis vanaf 1966 over tot het stationeren van ambulances langs de rijkswegen die aan deze eisen tegemoet kwamen.3,32
Zo ook bij de politiepost te Linschoten in 1967.
Een project dat nog zou doorlopen tot 1983.40

Demonstratie ambulance Mercedes-Benz 408
bij het Ope Dei ziekenhuis te Woerden 1968.
foto: Walter van Leeuwen.
Ongevalskisten op rijksweg 12 1967:
In 1967 plaatste de Rijkspolitie, in samenwerking met Het Rode Kruis, tussen Woerden en
Oudenrijn bij wijze van proef
om de 500 meter 40 z.g. ongevalskisten met hierin knipper-
lantaarns, verbanddozen en dekens.
Dit hulpmateriaal werd geplaatst omdat langs de intensief bereden rijksweg de politie en ambulance
vanwege de drukte niet altijd snel genoeg ter plaatse konden zijn, zodat andere hulpverleners (weggebruikers)
hier gebruik van konden maken.
Er bleek een grote aantrekkingskracht vanuit te gaan op dieven.24
De Commissie Muntendam, de politiek en de media 1964-1968
Nadat de subcommissie Kwaliteit Vervoer Verkeersongevalsslachtoffers reeds in 1965 haar aanbevelingen aan de minister had aangeboden, bleek de regering de zaak op zijn beloop te laten.De Vara-t.v. wilde dit aan de kaak stellen en maakte in 1966 een televisie-reportage in Woerden.27,34
De reportage betrof een documentaire waarbij een ambulance (een z.g. Klinomobiel), die werd gestationeerd bij het Ope Dei ziekenhuis, door een cameraploeg gevolgd werd bij de hulpverlening bij ongevallen op rijksweg 12. Dit met een arts aan boord die per mobilofoon contact kon onderhouden met het ziekenhuis.
Woerdense Courant 1966.
Als reactie op deze publiciteit stelde Mw. G. Brautigam (PvdA) kamervragen.
In de maand daarna werd de ministeriële "nota inzake de hulpverlening bij verkeersongevallen" opgesteld, welke werd aangeboden aan de tweede kamer.
20
In december 1969 werd hierop volgend door de staatsecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid dr. R.J.H. Kruisinga het wetsontwerp ambulancevervoer
bij de Tweede Kamer ingediend dat in 1971 werd aangenomen1,3,20
Proef met gewondentransport per helikopter 1967
Om aandacht vragen voor de achtergebleven eerste hulpverlening bedacht het tijdschrift Rijdend Nederland in 1967 een
grotesk fantasie- plan dat voorzag in de bouw van 16 wegenwachtstations langs rijkswegen met daarbij hangars voor helikopters van waaruit de
hulpverlening zou moeten gaan plaatsvinden.
Rijdend Nederland organiseerde in dit verband met medewerking
van Dijkstra en de fa. Hoek een proef met het transport van een
verkeersslachtoffer
per helikopter.
Vanaf het Ope Dei Ziekenhuis vertrok -na een melding van een gefingeerd
ongeval op rijksweg 12- een helikopter van Defensie tegelijkertijd met
de ambulance van de fa.Hoek naar de plaats van het "ongeval".
Een gelijksoortige proef vond overigens plaats bij het Bronovo
ziekenhuis te Den Haag en rijksweg 13.22,23
Ope Dei Ziekenhuis Woerden: 1967 vertrek van de helikopter (foto Walter van Leeuwen).

Het voormalige Ope Dei met op de voorgrond het helikopterveld ,
dat nu als gazon is opgenomen in de mooie tuin van het Zuwe Zorgcentrum.
Karakteristieke ziekenhuisarchitectuur uit de zestiger jaren van de vorige eeuw (foto 2009).
De firma Hoek nam in 1970 een nieuwe ambulance in bedrijf. Deze Mercedes-Benz 408 had binnenmaten van 308x185x190 cm (lxbxh). De brancard kon naar keuze in het midden worden geplaatst.

Ambulance van de fa.L.Hoek 1970. "Voldoende ruimte". Compilatie van foto's van Walter van Leeuwen.
Het Academisch Ziekenhuis te Utrecht (UMCU) 1971
T.a.v. bestuurlijke zaken als de noodzaak tot regionalisatie,centrale melding en coördinatie ontstond eind zestiger jaren overeenstemming. Deze werden vastgesteld in de eerste wet Ambulancevervoer in 1971.
Anders lag dit t.a.v. van de voorgestelde inhoudelijke verbeteringen
gericht op de preklinische hulpverlening zelve (deskundige "medische"
hulp ter plaatse, voorafgaande en tijdens het transport en de te
stellen eisen aan ambulancewagen).
Dijkstra (1964) stelde als uitgangspunt "dat ieder verkeersslachtoffer recht heeft op deskundige medische verzorging vóór en tijdens het
transport en dat hiervoor geen wetenschappelijk verdedigbare uitzondering bestaat".
"Bij levensbedreigende posttraumatische toestanden kan en moet de verantwoordelijkheid der preklinische urgentiebehandeling
overeenkomstig de medische opvattingen betreffende de klinische behandeling, niet alleen door de verpleger worden gedragen
doch enkel en alleen door de ervaren ongevallenarts."
Voor de Nederlandse situatie achtte hij het z.g. rendez-vous systeem de beste keuze, waarbij een speciaal daartoe opgeleide
ongevallenarts en de ambulancewagen gelijktijdig worden gealarmeerd en beiden zich onafhankelijk van elkaar naar de plaats van het
ongeval spoeden. Voorwaarde hierbij is dat de arts, voor het geval hij als eerste de onheilsplaats bereikt, onmiddelijk kan beschikken
over door hem zelf mee te voeren draagbare hulpmiddelen ter resuscitatie.
Is het ogenblik van het rendez-vous daar, dan wordt hij door de apparatuur van de ziekenwagen, en door de hulp van het personeel
hiervan in staat gesteld een efficiënter behandeling toe te passen.
In grote steden zou de arts mee kunnen rijden met de ambulance.
Deze stellingen vonden niet bij een ieder begrip en navolging.
Een conservatieve visie - waarbij men aangaf Dijkstra niet te kunnen volgen in de door hem gestelde eisen aan de ambulance en verpleger- was
die waarbij men vasthield aan de Nederlandse doelstelling waarbij de begeleidende verpleger slechts verzorgt, verpleegt en controleert.
Behandeling, behoudens "Eerste Hulp", was hier niet aan de orde in tegenstelling tot de ruimere bevoegdheden voor een verpleger
met een post-graduate opleiding die Dijkstra voorstond.
De afmetingen van de ambulance werden daarom dan ook van ondergeschikt
belang geacht. In "kleinere ambulances zou het ook wel gaan" en
"het zou niet ook maar één dode verschil maken". Bovendien werd daarbij
genoemd dat de door Dijkstra gepropageerde wagens onbetaalbaar (ten onrechte) zouden zijn.3,41
Desalniettemin zou het nog tientallen jaren duren - vanaf de negentiger jaren van de vorige eeuw- voordat de door Dijkstra beoogde verbeteringen in de ambulancezorg in Nederland werden ingevoerd en het z.g. "inpakken en wegwezen" van het toneel verdween.42,43

Dr. J. Dijkstra (Britswerd) was chirurg en van 1948 tot 1971
verbonden aan de Woerdense ziekenhuizen: het Algemeen Ziekenhuis en Het
Ope Dei Ziekenhuis (in 1969 ontstond hieruit door fusie het Hofpoort
Ziekenhuis te Woerden).
dr.J.Dijkstrahal
Bronnen:
terug